Voorstel beperking compensatie transitievergoeding naar parlement
Het demissionaire kabinet houdt vast aan zijn voornemen de compensatieregeling voor transitievergoedingen bij ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid te beperken. Dit blijkt uit een wetsvoorstel van deze strekking dat is ingediend bij het parlement. Met deze stap legt de regering een negatief advies van de Raad van State naast zich neer. Naar het zich laat aanzien gebeurt dit vooral vanuit de wens een al ingeboekte bezuiniging intact te houden.
Het wetsvoorstel dat het kabinet naar de Tweede Kamer heeft gestuurd, beperkt de toegang tot de regeling voor compensatie van transitievergoedingen. Op dit moment kunnen alle werkgevers nog aanspraak maken op compensatie als zij een werknemer na 2 jaar ziekte met toestemming van UWV wegens langdurige arbeidsongeschiktheid ontslaan. Als het aan het kabinet ligt, geldt dit in de toekomst alleen nog voor kleine werkgevers. Het is de bedoeling om hierbij dezelfde begrenzingen tussen kleine, middelgrote en grote werkgevers te hanteren als bij de premieheffing voor de Werkhervattingskas (Whk).
Kabinet legt advies van de Raad van State naast zich neer
Door het wetsvoorstel bij het parlement in te dienen, legt het kabinet een advies van de Raad van State naast zich neer. Dit orgaan voorziet een hele reeks problemen rond het wetvoorstel. Ook adviseerde het om te overwegen of de verplichte transitievergoeding bij ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid volledig kan worden geschrapt. Dit zou de compensatieregeling in haar geheel overbodig maken. In de Memorie van toelichting bij het wetvoorstel gaat het kabinet niet specifiek in op de bezwaren van de Raad van State. Wel geeft het aan (par. 2.3) dat het volledig schrappen van de transitievergoeding bij ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid is overwogen. Volgens het kabinet is deze optie te veel in strijd met de doelen van de transitievergoeding. Ook vreest het problemen met het wettelijk verbod op onderscheid op basis van handicap of chronische ziekte.
Bezuinigingswensen lijken doorslaggevend te zijn
Bij de beslissing van het kabinet lijken echter ook budgettaire afwegingen een grote rol te hebben gespeeld. In een verzoek om spoedige behandeling wijst minister Paul (SZW) erop dat invoering van de regeling per 1 juli 2026 al is verwerkt in de begroting. Een half jaar vertraging leidt er volgens haar toe dat van een al ingeboekte besparing van € 380 miljoen nog maar zo’n € 150 miljoen overblijft. Stemt de Tweede Kamer tegen het wetsvoorstel, dan vervalt uiteraard de volledige kostenbesparing. Net als bij de Memorie van toelichting ontbreekt in het verzoek om spoedige behandeling een specifieke reactie op de bezwaren van de Raad van State. De vraag lijkt nu vooral of de Kamer alsnog met het kabinet over deze bezwaren in gesprek wil.
Meer weten?