UWV verdubbelt beslistermijn WIA na oplopen dwangsommen
Zieke werknemers die een WIA-uitkering aanvragen, krijgen vanaf 1 januari 2026 te maken met een dubbel zo lange standaard beslistermijn voor de sociaal-medische beoordeling. Hetzelfde geldt bij herbeoordelingen op verzoek van werkgevers, verzekeraars en private uitvoerders. De maatregel brengt de beslistermijn meer in overeenstemming met de werkelijkheid, maar dringt voor UWV ook de snel oplopende kosten terug van dwangsommen wegens te late beslissingen.
De aanpassing van de beslistermijn betekent dat UWV straks 16 in plaats van 8 weken heeft voor het beoordelen én herbeoordelen van arbeidsongeschiktheid. De maatregel is in samenspraak met het ministerie van SZW genomen en valt volgens het persbericht van UWV binnen de kaders van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 4.14 lid 3 van deze wet schept ruimte om van de standaard beslistermijn van 8 weken af te wijken. De voorwaarden zijn dat een beschikking binnen deze termijn afgeven niet mogelijk is en dat er geen bij wet bepaalde andere termijn is. UWV hoort wel binnen 8 weken aan de aanvrager te melden dat het van de uitzondering gebruik wil maken. Ook moet het hierbij een redelijke termijn noemen waarbinnen alsnog een beslissing te verwachten is. Bepalingen van dezelfde strekking zijn te vinden in artikel 102 lid 3 en 5 van de Wet WIA.
Maatregel speelt in op sterke stijging dwangsommen
De maatregel van UWV en SZW brengt de beslistermijn niet alleen meer in overeenstemming met de feitelijke tijd die de uitvoeringsinstelling momenteel nodig heeft om beslissingen te nemen. Hij speelt ook in op een sterke stijging van de onkosten die UWV moet maken als gevolg van dwangsommen wegens te late beslissingen. Mensen die langer dan de voorgeschreven beslistermijn moeten wachten op een sociaal-medische beoordeling, kunnen tot € 1.442 krijgen als ze de uitvoeringsinstelling in gebreke stellen. Volgens het achtmaandenverslag 2025 (p. 15) was UWV hier in de eerste 8 maanden van dit jaar al € 16,8 miljoen aan kwijt. Een jaar geleden kwam deze kostenpost over dezelfde periode nog uit op € 11,2 miljoen.
Maatregel heeft geen duidelijke einddatum
Volgens UWV betekent de nieuwe termijn niet dat iedere aanvrager per definitie ook 16 weken moet wachten. De uitvoeringsinstelling zegt nog steeds te streven naar zo snel mogelijke beoordeling. Het persbericht benadrukt verder dat de aanpassing van de beslistermijn een tijdelijke maatregel is, maar verzuimt hier een exacte einddatum aan te verbinden. In plaats daarvan meldt het in een wat lastig te interpreteren formulering dat ‘de tijdelijke regeling vervalt als het verschil tussen het aantal beoordelingsaanvragen is verminderd en er meer verzekeringsartsen zijn.’ De meest voor de hand liggende lezing is dat UWV en SZW 2 criteria hebben afgesproken. Namelijk dat het gat tussen het aantal aangevraagde en uitgevoerde beoordelingen fors moet zijn verkleind én dat er voldoende verzekeringsartsencapaciteit moet zijn om het verschil stabiel te houden.
RSC: ontlast UWV door het stelsel te verbeteren
Het RSC heeft er alle begrip voor dat UWV en SZW mogelijkheden zoeken om de druk op de uitvoering te ontlasten. We zien echter ook een tendens waarbij dit telkens opnieuw leidt tot maatregelen die uiteindelijk neerkomen op symptoombestrijding. Ze verminderen de druk op UWV niet duurzaam en verzwakken het stelsel in plaats van het beter te maken. Wij pleiten ervoor UWV te ontlasten door te investeren in maatregelen die dat laatste wél doen. Enkele voorbeelden zijn kiezen voor meer publiek-private samenwerking, het doorbreken van de vinkjescultuur bij re-integratie en een betere structuur voor oplossing van vragen en geschillen. Deze en andere RSC-voorstellen zijn te vinden in onze notities voor een uitvoerbaar WIA-stelsel en meer re-integratie in de eerste 2 ziektejaren.
Meer weten?