CRvB: hoger dagloon bij arbeidsongeschiktheid 2 dienstverbanden
Het WIA-dagloon hoort omhoog te gaan als een werknemer eerst in het laagst betaalde en daarna in het hoogst betaalde van 2 dienstverbanden arbeidsongeschikt raakt. Dat de wet strikt genomen bepaalt dat dit alleen opgaat als de WIA-wachttijd bij het eerste dienstverband volledig is verstreken, moet UWV terzijde leggen als het onredelijk uitpakt. De wetgever heeft namelijk niet voorzien dat zulke situaties zich kunnen voordoen.
Dit is kort samengevat de strekking van belangrijke nieuwe jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) over arbeidsongeschiktheid in 2 dienstverbanden. Deze uitspraak verandert de wijze waarop UWV moet omgaan met artikel 13a van de Wet WIA. Ook schept hij een precedent voor werknemers bij wie de uitvoeringsinstelling eerder op basis van dezelfde wettelijke regel heeft geweigerd het dagloon te verhogen.
De wet regelt alleen iets voor ziekte ná WIA-instroom
Artikel 13a van de Wet WIA bepaalt dat het WIA-dagloon van een verzekerde in bepaalde gevallen moet worden aangepast als deze na het ontstaan van het recht op een WIA-uitkering ziek wordt. In de zaak waar de CRvB over oordeelde deed zich een net iets andere situatie voor. De werknemer werd ziek in een tweede dienstverband vóór de wachttijd in het eerste dienstverband was verstreken. Over dit soort situaties zegt de wet niets. Tot nu toe redeneerde UWV dat er daarom geen reden is om het WIA-dagloon aan te passen dat op basis van het eerste dienstverband is vastgesteld. De CRvB komt in zijn uitspraak tot een ander oordeel: aanpassen is noodzakelijk als de uitkomst onredelijk is.
De werknemer werd ziek vóór het einde van de WIA-wachttijd
De werknemer in de zaak had 2 dienstverbanden, voor respectievelijk 15 uur en 32 uur. In het eerste was hij actief als ijshockeyer, in het tweede tegen aanzienlijk hogere beloning als financieel adviseur. In september 2016 werd hij ziek in dienstverband 1. In dienstverband 2 kon hij toen nog doorwerken, maar een paar maanden vóór het einde van de WIA-wachttijd voor dienstverband 1 viel hij ook daar uit. Deze gang van zaken dreigde zeer ongunstig voor hem uit te pakken. UWV berekende het dagloon over de referteperiode met 12 maanden (laag) loon uit dienstverband 1 en slechts 3 maanden (hoog) loon uit dienstverband 2. Aan het einde van de WIA-wachttijd voor dienstverband 2 was er volgens UWV geen reden om de berekening te herzien omdat artikel 13a niet van toepassing was. Wel verlengde de uitvoeringsinstelling de duur van de loongerelateerde WGA-uitkering.
Zowel de Wet WIA als de Grondwet moest worden genegeerd
Toen de werknemer deze beslissing aanvocht, ving hij in eerste instantie bot. Volgens de Rechtbank kon het de wetgever bij het vaststellen van artikel 13a niet kan zijn ontgaan dat de situatie van de werknemer zich kan voordoen. Daarom moest worden aangenomen dat de nadelige gevolgen zijn bedoeld en voorzien. De CRvB ziet dit in zijn uitspraak anders. Dit orgaan concludeert na bestudering van de parlementaire overwegingen en raadpleging van de minister van SZW dat de wetgever de situatie die zich hier voordoet niet heeft voorzien. Ook stelt het vast dat er sprake is van een uitzondering op artikel 120 van de Grondwet. Dit verbiedt in principe toetsing van een wettelijke bepaling aan algemene rechtsbeginselen en (ander) ongeschreven recht. Het mag echter worden gepasseerd bij bijzondere omstandigheden die wetgever niet heeft voorzien en die bij toepassing van de wet tot een onredelijke uitkomst leiden. Dit is hier het geval. De CRvB past artikel 13a van de Wet WIA daarom alsnog toe en stelt zelf een hoger dagloon vast.
Meer weten?